> Seminars >
Dossier - Waarborgen Leven-Beleggingen - de gegevens     NL   FR   DE   EN    

Welke gegevens hanteren we binnen de waarborgen van het type Leven-Beleggingen

1. Het doel van deze fiche?

De regels vastleggen voor de beschrijving van de waarborgen van dit type.
Deze "regels" zijn niet de juridische zoals komende van de wetgever en/of de controlerende instantie (FSMA).
Het zijn wel de spelregels, de afspraken die we maken, die de verschillende de partijen toelaten informatica-technisch te communiceren.
Hiervoor is het gepaste detail-niveau qua informatie nodig (niet te veel, en niet te weinig), zodat het werk van elke dag vlot kan verlopen.

2. "Leven - klassiek" ... :
Oorspronkelijk waren er eerst de takken 21 « Levensverzekeringen » en 22 « Bruidsschats- en geboorteverzekeringen ».
Men spreekt ook van « klassiek leven » ; de contracten waarbij het kapitaal en de premie gekend zijn op het ogenblik dat men het contract opmaakt.
Bemerk dat de notie « klassiek leven » de waarborgen bij leven zowel als de waarborgen bij overlijden omvat.

Zo een « klassiek leven » is het resultaat van een actuariële berekening met:
  • twee essentiële elementen, gemeenschappelijk aan elke waarborg:
    • een sterftetafel en
    • een gewaarborgde rentevoet (PCD+057) ;
  • en twee essentiële elementen, eigen aan elke specifieke/afzonderlijke waarborg:
    • een onderschreven kapitaal en
    • de leeftijd van het verzekerde individu op het ogenblik van de onderschrijving.
Een waarborg « leven » voorziet in:
  • een MOA+023 « kapitaal bij leven » te leveren op het einde van het contract / de waarborg (DTM+138)
    (de DTM+027 « uitkeringsdatum kapitaal leven » stelt diezelfde datum voor, maar dan meer expliciet);
  • of voorziet in een MOA+180 « jaarlijkse rente »:
    • In het geval van een « levenslange rente » of « lijfrente » uit te keren tot aan het overlijden ;
    • In het geval van een « tijdelijke rente » uit te keren tot aan het einde van het contract / de waarborg (DTM+138).
    Zo een rente kan nog evolueren volgens een PCD+070 « Jaarlijks stijgingspercentage van de rente ».

    Die MOA+180 = de werkelijke rente, zoals overeengekomen: vastgelegd in de voorwaarden van het contract / van de waarborg.
    De MOA+224 = een theoretische rente, een door de FSMA verplichte herberekening naar een lijfrente, van de echte/werkelijke prestatie bij leven (MOA+023).

    De BIN+1625 = De rente (MOA+180) is overdraagbaar op een tweede hoofd = de partner.
    (Maar let hierbij op de nuances: een « rente op twee hoofden » is één ding; de conversie van het kapitaal bij leven (op één hoofd), naar een rente hetzij op één hetzij op twee hoofden, is een ander ding - deze beide noties zijn niet strikt/rechtstreeks met elkaar verbonden.)
Een waarborg « overlijden » voorziet in een MOA+026 « kapitaal bij overlijden »:
  • In een « levenslange » op het ogenblik van het overlijden ;
  • In een « tijdelijke » op het ogenblik van het overlijden voor het einde van het contract / van de waarborg ;
    • In een « schuldsaldoverzekering » volgt dat kapitaal de evolutie van het saldo van de lening.
      (Maar zo een « tijdelijke overlijden met afnemend kapitaal » wordt niet alleen / noodzakelijk afgesloten in het kader van een lening.)
      Die evolutie is afhankelijk van:
      • Constante annuïteiten of constante aflossingen (de ATT+1222 « type schuldsaldo »)
      • De PCD+008 « intrestpercentage schuldsaldo »
      • De duurtijd van de lening (de aanvangsdatum (DTM+008) en de afloopdatum (DTM+138) van de waarborg)
      (Definitie van de waarborg 121: Tijdelijke verzekering (waarborg) overlijden met afnemend kapitaal - meestal (maar niet noodzakelijk) ter dekking van een verminderende vordering van een schuldeiser.)
De MOA+186 « waarde van de reserve » komt in principe voor bij elk van deze varianten, en is het resultaat van de actuariële berekeningen.
  • Voor de opbouw van een kapitaal « bij leven » gaat men de premies cumuleren, inbegrepen het effect van de samengestelde intrest en inbegrepen het effect van de sterfetafel. Die reserve gaat gradueel groeien om uiteindelijk het op het voorziene ogenblik te presteren kapitaal te bekomen.
  • Een jaarlijkse rente wordt dikwijls aangekocht bij middel van een enige premie die dan de reserve vormt waaruit de jaarlijkse bedragen geput worden. Het effect van de samengestelde intrest en van de sterftetafel beïnvloeden die reserve in de loop van de tijd. In het geval van periodieke premies is het actuariële principe hetzelfde, maar dan complexer.
  • Voor een kapitaal « bij overlijden », waarbij de periodieke premie een constante is terwijl het sterfterisico stijgt in de loop van de tijd, bevatten de premies van de eerste jaren een surplus te reserveren voor de nog komende jaren. Ook hier zijn de actuariële principes complex.

  • De DTM+149 « datum waardering reserve » zegt hoe dat bedrag MOA+186 moet begrepen worden.
Die « waarde van de reserve » is de basis van de « afkoopwaarde » (MOA+223 op het niveau van de waarborg ICD+…); de opzeg van het contract verleent aan de verzekeringnemer een recht op die reserve(s), maar mits de (kost-)prijs zoals overeengekomen in het contract (MOA+089 « afkoopwaarde (van het contract) op het einde van het vorige jaar »).

Die « waarde van de reserve » is ook de basis voor de toekenning van de (jaarlijkse) « winstdeelname ». In het geval dat de verzekeraar, op het grote geheel van zijn reserves in portefeuille, financiële winsten boekt die zijn actuariëel berekende noden overstijgen, kent deze (een deel van) dat surplus toe aan de reserves van de verschillende contracten-waarborgen.
  • De MOA+025 « Toekenning winstdeelname leven van het jaar » zit zo gecumuleerd in de MOA+024 « Verworven winstdeelname bij leven ».
  • De MOA+028 « Toekenning winstdeelname overlijden van het jaar » zit zo gecumuleerd in de MOA+027 « Verworven winstdeelname bij overlijden ».
    • Een alternatief is dat het MOA+026 « kapitaal bij overlijden » verhoogt met een PCD+041 « percentage winstdeelname (overlijden) ».
      (PCD+041 definitie : Het kapitaal overlijden (MOA+026) verhoogt voor één jaar met dit percentage (het jaar volgende op het jaar waarvan de resultaten voorzien in de winstdeling).
De « perequatie » is (een techniek) de indexatie van het gehele contract; de premies en de prestaties. Deze wordt uitdrukkelijk gespecifiëerd via een bijvoegsel aan het contract.
  • De MOA+093 « Wijziging kapitaal leven » drukt het verschil uit tussen dat kapitaal in de stadia n en n-1 (tussen de huidige situatie en de vorige situatie).
  • De MOA+094 « Wijziging kapitaal overlijden » drukt het verschil uit tussen dat kapitaal in de stadia n en n-1 (tussen de huidige situatie en de vorige situatie).
Een contract / een waarborg leven/overlijden:
  • Is met een vaste duur, niet stilzwijgend hernieuwbaar ;
    De ATT+A003 « status van de polis » = 6 « lopend tot » met de DTM+138 « afloopdatum » zijnde die einddatum.
  • Maar kan ook van het type « levenslange » zijn ;
    En dan zonder DTM+138 « afloopdatum » en dan met de ATT+A003 « status van de polis » = 1 « lopend ».
    In de meeste gevallen is de periode van de premiebetaling dan toch wel eindig en heeft deze een vaste einddatum ; de DTM+028 « Datum laatste premie ».

3. De "horizontale garantie" ... :
In « klassiek leven » lag de « gewaarborgde rentevoet leven » (PCD+057) lange tijd vast op 4,75%. Later is die rentevoet dan gradueel vastgelegd op andere (lagere) precentages (4,25 / 3,75 / 3,50 / 3,25 / …).
Men heeft daarbij eerstens een zogenaamde « horizontale » aanpak of redenering gevolgd.
De reeds gestorte premie blijft genieten van de « gewaarborgde rentevoet » zoals voorzien in het contract, en voor de duur van het contract.
Op het ogenblik dat die rentevoet wijzigt (daalt) moet men de andere/nieuwe premies afzonderen in een nieuwe reserve op te zetten in het vooruitzicht van de prestaties te leveren op basis van dat (om zo te zeggen "nieuwe") contract.
De waarborg wordt zo opgedeeld in verschillende lagen (waarborgen) die zich als het ware opstapelen, elke laag met haar eigen bedragen / percentages / data…
Vandaar die « horizontale » beeldspraak.

Onze aanpak qua structurering bij middel van afzonderlijke waarborgen (ICD+…) en/of afzonderlijke sub-waarborgen (ISD+…) laat dergelijke voorstelling toe.
Dus één waarborg per horizontale laag.

Een ATT+1009 « rendementsgarantie » drukt dit uit:
  • 1 « horizontale methode »
    De horizontale methode houdt in dat de nieuwe rentevoet enkel wordt toegepast op de bijdragen die gestort worden na de aanpassing. Op de bijdragen die in het verleden werden gestort, blijven de rentevoeten die op dat ogenblik van toepassing waren, gelden. Op die manier worden verschillende bijdragen aan een verschillende rentevoet gekapitaliseerd.
  • 2 « verticale methode»
    Bij de verticale methode wordt de nieuwe rentevoet niet alleen toegepast op de bijdragen die worden gestort na de aanpassing, maar ook op de verdere kapitalisatie van de bijdragen die voordien werden gestort. De werking van de verticale methode kan vergeleken worden met die van een bankrekening. Bij een wijziging van de rentevoet geldt de nieuwe rentevoet voor het volledige rekeningtegoed.
    Deze verticale blokken in afzonderlijke waarborgen stoppen levert veel minder toegevoegde waarde/informatie en is dus niet strikt nodig.

4. De "Universal Life" ... :
In « leven », in de takken 21 « Levensverzekeringen » en 22 « Bruidsschats- en geboorteverzekeringen »:

Bezigt men sinds de jaren 1990+- ook de zogenaamde variante « Universal Life » ; de contracten waabij het actuariële kader aanwezig/gekend is, maar waar de premiebetaling tot de vrijheid van de klant behoort, met als resultaat dat het juiste/specifieke kapitaal eveneens niet gekend is op het ogenblik dat het contract aanvangt.
Het gaat in essentie over spaarinstrumenten.
  • Het enige overblijvende betekenisvolle element blijft in die omstandigheden voor dergelijke waarborg de MOA+186 « waarde van de reserve » ;
    • Gecommuniceerd in het contract-bijvoegsel met zijn DTM+008 « aanvangsdatum » ;
    • De premiebetaling door- en op initiatief van de klant gebeurt hoofdzakelijk rechtstreeks aan de verzekeraar.
      Die verzekeraar zal de tussenpersoon hierover informeren bij middel van het bericht « contract – vrije storting ».
      Opnieuw is het de MOA+186 « waarde van de reserve » die betekenis heeft en die te begrijpen is in functie van de DTM+149 « datum waardering reserve ».
  • De DTM+143 « datum laatste storting » is noodzakelijk gezien het uitgegeven document een recent door de klant betaalde premie zou kunnen kruisen die dan (nog) niet in dat document verrekend is – de DTM+143 verhindert dan het eventuele misverstand in hoofde van de klant.
Daar waar men onder punt 3 hierboven (in een min of meer ver verleden) eerst de "horizontale methode" gebruikte, zijn de zaken blijven evolueren en gebruikt men nu onder dit punt 4 veel meer de "verticale methode", die trouwens beter aangepast is aan het volatiele beurs- en financiële klimaat van deze 21ste eeuw...

Merk ook op dat deze "universal life" techniek vooral mikt op het spaar-element; op de waarborg bij leven.
Dat spaar-element komt dan ook (quasi altijd) nog eens overeen met een UKMT waarborg uit het "klassiek leven". Een "Uitgesteld Kapitaal" "Met Terugbetaling" - in geval van overlijden worden de gespaarde bedragen terug uitgekeerd.
Voor het risico-element - de waarborg bij overlijden - blijft men eventueel (niet altijd) een (bijkomende) waarborg uit de sfeer "klassiek leven" verrekenen; met een vaste premie die men eventueel uit de reserve van het spaar-gedeelte gaat halen.

5. De "Unit Linked" ... :
In de loop van de jaren 1993-2003 is er een nieuwe tak 23 « Levens-, bruids- en geboorte-verzekeringen - met beleggingsfondsen » ontstaan :
(Het "KB Leven" van 14/11/2003 met de artikelen 61-72 is veelzeggend.)

Men spreekt van de « Unit Linked » ; de betaling van de premie behoort tot de vrijheid van de klant en actuariëel gezien, als de sterftetafel (eventueel /in bepaalde gevallen) nog van toepassing is, dan is het effect van de samengestelde intrest vervangen door het zuivere potentiëel van de belegging (het risico in plus of in min), rechtstreeks in één of ander investeringsproduct dat beschikbaar is op de financiële markt.
  • In die omstandigheden is het eerste betekenisvolle element opnieuw de MOA+186 « waarde van de reserve » ;
    • Gecommuniceerd bij middel van het contract-bijvoegsel met zijn DTM+008 « aanvangsdatum » ;
    • De klant betaalt naar eigen keuze, in de meerderheid van de gevallen rechtstreeks aan de verzekeraar.
      Die verzekeraar zal de tussenpersoon daarover informeren via het bericht « contract – vrije storting ».
      Opnieuw is de MOA+186 « waarde van de reserve » alleszeggend en te begrijpen in functie van de DTM+149 « datum waardering reserve ».
  • De DTM+143 « datum laatste storting » is noodzakelijk gezien het uitgegeven document een recent door de klant betaalde premie zou kunnen kruisen, en dat document houdt daar dan nog geen rekening mee - die DTM+143 zorgt voor het juiste begrip door de klant.
  • Het risico van de belegging ligt bij de klant en het is dan ook noodzakelijk/verplicht de financiële producten waarin de gelden belegd zijn te detailleren.
    Daarom omvat dergelijke waarborg het (ene) of de (verschillende) FND+xxx « fonds ».
    De elementaire informatie per fonds is dan :
    • De RFF+079 « ISIN code » die het fonds identificeert: het betreffende financiële instrument ;
    • De DTM+141 « datum inventariswaarde » ;
    • De MOA+173 « waarde op de inventarisdatum » ;.
    • Het QTY+132 « aantal eenheden » van het fonds.
De waarborg type ICD+100 "Leven" (voorzien van een "formule" IFD+...) zal het of de fondsen groeperen en zo het voornaamste deel van het "unit linked" product weergeven.

Eén of meerdere waarborgen type ICD+120 "Overlijden" gaan het of de (meer "bijkomstige") waarborgen in geval van overlijden weergeven.
Zo zal:
  • In een (eerste) waarborg ICD+120 de BIN+1202 « minimaal bedrag in overlijden » zeggen dat de waarborg overlijden een minimum is; de assets nemen toe en de waarborg neemt af tot 0 zodra de assets boven dat minimum gaan.
    De MOA+026 “kapitaal overlijden” moet aanwezig zijn en dit minimum voorstellen en dat zonder enige progressieve wijziging van dat bedrag - dat bedrag kan trouwens nooit 100% exact zijn.
  • In een (tweede) waarborg ICD+120 de BIN+1203 « bijkomend bedrag in overlijden » zeggen dat de waarborg overlijden bovenop de gecumuleerde assets komt.
    De MOA+026 “kapitaal overlijden” moet aanwezig zijn en dit supplementair bedrag voorstellen.
    Als beide waarborgen aanwezig zijn, dan zegt BIN+1204 « bijkomend bedrag eerst toegepast » hoe het gecombineerde effect te begrijpen.
In functie van de pricing (een keuze van de verzekeraar) kunnen de beide (accessoire) waarborgen als één geheel verkocht worden, met een enige prijs voor dat geheel.
  • Een (variante) waarborg ICD+120 kan dan de beide elementen voorstellen en hernemen onder/in één en dezelfde waarborg.
    In dat geval stelt de MOA+026 “kapitaal overlijden“ dat minimum voor.
    In dat geval is de MOA+191 “bijkomend bedrag bij overlijden“ aanwezig en stelt dat supplement voor.

6. De "Tak 44" ... :
(Die benaming "tak 44" bestaat wettelijk gezien niet - ze is bedacht door de marketeers.
"Tak 21" + "tak 23" = "tak 21+23" = "tak 44".)

De dingen worden nog wat ingewikkelder (maar enkel op het eerste zicht).
Zowel in Universal Life als in Unit Linked (beide met « vrije premies/stortingen » - ATT+A325 = 8 « vrij ») combineert men eventueel waarborgen van dat type met waarborgen van het type « leven klassiek » met « vaste premies » (ATT+A325 = 1/2/… « jaarlijks / zesmaandelijks / … »).
De « splitsingscode van de premie » met een dergelijke waarde 1/2/… hoeft de betaling van een « vrije premie/storting » die bovenop zo een « vaste premie » komt niet te hinderen.

Naast deze meer practische aangelegenheid is de meer fundamentele betekenis van deze "tak 44" dat ze de combinatie is van de waarborg(/investering) met een gewaarborgde intrestvoet (behorende tot de tak 21), met de (waarborg/)investering waar het financiële risico bij de klant ligt (de tak 23).

Onze gegevens-structuur laat de voorstelling toe van dit soort combinaties van verschillende waarborgen onder één contract...
Een "Tak 44" contract bevat dan een (minstens één) waarborg behorende tot Tak 21, en een (minstens één) waarborg behorende tot Tak 23.

De keuzemogelijkheden die de klant heeft qua spreiding van zijn investeringen over die onderdelen Tak 21 / Tak 23, van 0% / 100% tot 100% / 0% en alles daartussen, maken dat het ene of het andere onderdeel op een bepaald ogenblik "leeg" kan zijn. In dergelijk geval (op dergelijk ogenblik) blijft dat contract nog altijd een Tak 44 contract.
Voor zover onze berichten totaalbeelden van de contracten bevatten is dat geen probleem.
Van zodra onze berichten enkel wijzigingen communiceren kan dat wel een probleem geven.

7. De prognoses :
Commerciëel :
Als een verzekeraar vandaag een offerte opmaakt voor een Tak 23 polis, dan verplicht de wetgeving al om minstens 3 prognoses op te geven:
  • een voorzichtige (MOA+218 "voorzichtige prognose eindkapitaal"),
  • een normale (MOA+219 "normale prognose eindkapitaal") en
  • een optimistische prognose (MOA+220 "optimistische prognose eindkapitaal").
De verzekeraar vult dan zelf in hoe deze dat interpreteert en welke rentevoeten deze toepast volgens de eigen financiële marktvisie.

De klant wil uiteraard nadien, tijdens de beheer fase, ook een continue update krijgen van die 3 prognoses, want dit verandert in functie van gestorte premies, aanpassing rentevoeten, aanpassing kostenstructuur, aanpassing marktvisie verzekeraar, enz.
Eigenlijk verandert dat dus elke dag.
De bedoeling is dat de verzekeraar te allen tijde - tijdens het beheer van een polis - 3 commerciële prognoses kan opgeven hetgeen zo realistisch mogelijke schattingen zijn van het totale eindkapitaal.

Bij een Tak 21 polis wordt een prognose gemaakt zonder WD (winstdeelname), en ook prognoses met WD.
  • Daar spreken we vandaag af dat zij de prognose zonder WD doorgeven als - voorzichtige prognose - (MOA+218).
  • Zij geven een prognose met WD als - normale prognose - (MOA+219).
  • En dan voegen zij al dan niet volgens eigen logica nog een - optimistische prognose - (MOA+220) toe waarin nog extra WD wordt toegekend volgens hun eigen inschattingen.
Bij gecombineerde polissen Tak 21 en Tak 23 wordt het dan een mix van bovenstaande logica’s.

Alles te begrijpen per datum (DTM+151 "datum prognoses").

Fiscaal :
Als een verzekeraar de 80%-regel uitrekent en daar ook een attest van aflevert voor aftrek vennootschapsbelasting, dan wordt niet gerekend met commerciële prognoses maar met fiscale prognoses.

Voor Tak 21 polissen is het redelijk eenvoudig:
  • De fiscale premievrije eindwaarde (MOA+221) en
  • de fiscale premiebetalende eindwaarde (MOA+222)
in het kader van de 80%-regel komen overeen met de premievrije en met de premiebetalende eindwaarde, beide zonder WD (winstdeelname), en waarbij een gegarandeerde interestvoet wordt gehanteerd.
Voor polissen met 0% gewaarborgd rendement, wordt echter al met een fictieve fiscaal aanvaardbare rentevoet gerekend. Dit fluctueert afhankelijk van de economische vooruitzichten.

Voor Tak 23 polissen passen verzekeraars andere regels toe (omdat ze de wetgeving anders interpreteren), maar doorgaans wordt daar de huidige reserve genomen (die dus hoog of laag kan zijn omwille van beursschommelingen), en dat wordt vervolgens opgerent aan dezelfde fiscaal aanvaardbare rentevoet.

Deze beide MOA te begrijpen per datum (DTM+172 "berekeningsdatum fiscaal eindkapitaal").